|
Wil jij weten hoe het komt dat we soms de maan overdag aan de hemel zien staan?
En hoe winter- en zomertijd zijn ontstaan? Lees dan onze Visual Novel 'Winter(s)t(r)ijd:
0 Opmerkingen
‘Weet je nog, vorig jaar op Kerstavond, toen je verdrietig was dat ik alleen zou moeten vieren’, vraagt Oma aan mij. Ik herinner me die avond nog goed. Er was een enorme sneeuwstorm, waardoor we niet bij Oma konden geraken. Ik vond dat heel erg, want ik kom graag bij Oma op bezoek. Bovendien was Oma helemaal alleen, hier in haar hutje op de berg ver van de stad.
‘Ja’, zeg ik. ‘Ik was er erg verdrietig om, Oma.’ ‘Ik was in het begin ook heel verdrietig. Jouw mama had mij net gebeld om te laten weten dat jullie niet zouden komen. En ik had er geen zin in om alleen te vieren. Maar ik kende de oude verhalen en ik wist dat daarin misschien een oplossing te vinden was. Ik haalde “Het Boek der Legenden” boven en begon erin te bladeren. Ergens in het midden van het boek vond ik “De legende van de Sneeuwfeeën.” Er stond: “Als je op Kerstavond een Sneeuwfee vangt en precies om middernacht een wens doet, zal deze wens vervuld worden.” Dit is wat ik nodig heb, dacht ik en ik las nog wat verder. “Je kan Sneeuwfeeën enkel vinden in het diepste deel van het bos, wanneer het gesneeuwd heeft. Sneeuwfeeën zijn kleine sneeuwwitte wezentjes met doorzichtige vleugels, die oplichten wanneer het donker wordt.” Ik maakte mij klaar voor de reis. Ik deed een warme trui aan, twee paar wollen sokken, een muts en een sjaal, een paar warme handschoenen en een dikke jas. Ook Norbert kreeg een dikke jas aan. Met zijn knappe speurneus zou hij mij prima kunnen helpen bij de jacht op een Sneeuwfee. Ik stak ontbijt en lunch in een draagtas en wandelde het dichte bos in. Norbert liep voorop. Ik moest veel dieper het bos in gaan dan ooit tevoren. Ik vond het best wat griezelig, maar voor mijn familie doe ik alles. In de winter is het gewoonlijk stil in het bos. Ik was verrast door de vrolijke vogeltjes die overal van boom naar boom vlogen. Hier en daar kon ik diertjes door de struiken horen kruipen. Norbert merkte de dieren ook op en gromde. ‘Af!’ zei ik. Ik wilde niet dat Norbert de dieren bang maakte. Hoe dieper we het bos in gingen, hoe wilder de begroeiing werd en hoe meer dieren we er tegenkwamen! Aan de rand van het pad zat een ree. Een beetje verderop een egeltje. Een konijn stak vrolijk huppelend het bospad over. Ik hoorde vogels roepen, maar ik herkende de roep niet meteen. Ik bleef staan en keek even rond. Toen zag ik een sneeuwuilenparlement op de takken van een boom zitten. Het waren prachtige beesten. Maar het was wel wat vreemd dat ze daar zo samen zaten, want sneeuwuilen leven meestal alleen. Zelfs sneeuwuilen zijn graag samen met Kerst, dacht ik. De ochtendmist trok langzaamaan op. Mijn maag gromde. Ik haalde mijn boterhammetjes boven en Norbert begon te likkebaarden. Ik at twee boterhammen met kaas en Norbert genoot van een groot stuk worst. Ik had wel nog zin in een kop kippensoep uit de thermos die ik had meegenomen, maar die was voor later. Met een gevulde maag zetten we onze tocht verder. Het werd almaar moeilijker om door de steeds dichter wordende begroeiing heen te komen. Ik moest takken opzij duwen en mij door struiken heen wurmen. Mijn jas scheurde en ik begon het koud te krijgen. Er was maar één remedie tegen die kou en dat was sneller wandelen. Aan weerszijden van het pad stonden de struiken vol met spierwitte bloemetjes met een felgele stamper. Toen ik even stopte om ze te bewonderen, klonk er plots geritsel overal rond ons. Norbert blafte en tientallen boswezentjes vluchtten. Het leek wel of ze ons al die tijd gevolgd hadden. Ik glimlachte naar Norbert. Toen liepen we weer verder. Na een tijdje kon ik het pad niet meer goed zien. Hoe dieper we het bos in gingen, hoe donkerder de omgeving werd. Ik wist niet precies hoeveel tijd er voorbij was gegaan, maar mijn buik rommelde luid. Dus haalde ik mijn thermos warme, lekkere kippensoep boven. Norbert kreunde zielig. “Oei, sorry Norbert. Ik was jou bijna vergeten”, zei ik en ik wierp hem een smakelijk hondenkoekje toe. Na dat lekkere middagmaal gingen we verder de duisternis in. Ik kon al bijna niets meer zien. Ik kneep mijn ogen tot spleetjes en stak mijn handen vooruit, rond tastend om nergens tegen aan te lopen. Plots zag ik in de verte licht door de takken schijnen. Een open plek! “Hier moet het zijn, het diepste deel van het bos”, zei ik tegen Norbert, die mij nieuwsgierig aankeek. Ik kon de open plek zien, maar de takken stonden zo dicht bij elkaar dat ik er onmogelijk doorheen kon. Het was een soort gevlochten muur. Ik speurde de muur van takken af en vond een heel klein gaatje vlak bij de grond. “Maak jij dat gaatje even groter, Norbert?” Norbert blafte ter bevestiging en begon te wroeten. Hij slaagde erin om het gat in de grond groot genoeg te maken zodat we erdoor konden kruipen. Helemaal vuil kwam ik aan de andere kant. Mijn mond viel open van verbazing. Er was inderdaad een wijde open plek. Op de open plek stonden heel veel kleine hutjes, waartussen wel honderden kleine Sneeuwfeetjes liepen. “Eindelijk, we zijn er”, fluisterde ik. Norbert en ik bedachten een plan om een van de feetjes te vangen. Ze hadden ons nog niet gezien. Hij zou naar de andere kant van de open plek sluipen om hen dan mijn kant op te jagen. En ik zou mijn muts als net gebruiken. Norbert was nog maar halfweg toen hij opgemerkt werd en de feeën vlogen in paniek mijn kant op. Ik probeerde er snel eentje te vangen. Plots zag ik dat een feetje laag bij de grond langs mijn voeten schoot. Ik greep mijn kans en gooide mijn muts over het feetje heen. Zelfs met de muts over zich heen bleef het feetje doorvliegen, maar het kon niet zo gemakkelijk weg geraken. Norbert liep op de moeizaam vliegende muts af, sprong omhoog en haalde met een poot uit. Het feetje stortte neer. Voor het terug kon opstijgen, greep ik de muts en kneep ik de onderkant snel dicht. “Gelukt!” riep ik enthousiast. Kwaad vlogen de andere feetjes in een aanvalsformatie op ons af. We zetten het op een lopen. Toen ik bij het gat aan de takkenmuur kwam, stelde Norbert zich tussen mij en de feetjes op. Hij gromde en blafte luid. De feetjes deinsden angstig terug. Dat gaf mij tijd om door het gat te kruipen. Norbert volgde mij. Achter ons hoorde ik een zwerm feeënvleugels klapperen. Eenmaal uit de tunnel gooide ik snel mijn jas er overheen. Het werkte, de feeën achtervolgden ons niet. Met de muts in mijn hand wandelden we terug naar huis. Toen we bij de witte bloemetjes met de fel gele stamper kwamen, waren die verdord en zwart geworden. Bij de uilenboom zat nu maar een enkele uil. Alle andere dieren waren verdwenen. Het was net alsof het bos ons iets wilde vertellen. Ik voelde mij een beetje schuldig. Weer thuis stak ik het feetje in een oude vogelkooi. Norbert kreeg als beloning een lekker vet been. Uitgeput zakte ik neer in de luie stoel bij het warme haardvuur met een grote kom soep en een dikke boterham. “Laat me vrij”, hoorde ik plots een stemmetje zeggen. Ik keek naar de kooi. “Ik wist niet dat feetjes konden praten”, zei ik met grote ogen. “Natuurlijk wel, alle magische wezens kunnen praten”, zei het feetje. “Fijn, wat is je naam?” vroeg ik beleefd. “Mijn naam is Lumi. En wie ben jij?” “Iedereen noemt me Oma”, zei ik. “Wil jij een wens voor mij vervullen?” “Nee. Maar als jij dat wilt, dan moet ik wel”, zei Lumi wanhopig. “Goed, dat wil ik. Ik wil dat je mijn familie naar hier haalt, zodat ik Kerstavond met hen kan vieren”, zei ik. “Dat kan ik niet”, zei Lumi met een vreemde lach. “Ik kan alleen wensen vervullen die worden uitgesproken om middernacht.” Ik liet mijn schouders hangen. Dat was ik helemaal vergeten. Het was hopeloos. Ik kon helemaal geen Kerstavond vieren met mijn familie. “Kan ik dan wensen dat mijn familie hier is voor Kerstmis?” vroeg ik hoopvol. “Ja, dat kan wel. Maar ik zou veel liever naar de lichtceremonie gaan”, zei Lumi gefrustreerd. “De lichtceremonie?” vroeg ik verbaasd. “Daar stond niets over in het boek. Wanneer is die ceremonie?” “Vanavond om middernacht”, zei Lumi beteuterd. “Wat houd die lichtceremonie juist in?” vroeg ik nieuwsgierig. “De lichtceremonie is fantastisch. Alle Sneeuwfeeën uit het land komen samen en dansen rond de grote ster in het midden van het bos. Precies om middernacht spreekt de ceremoniemeester de heilige woorden. Die woorden doen het licht van de ster stralen en zorgen ervoor dat de kerstlichtjes kunnen blijven branden.” “Wow, dat klinkt geweldig”, zei ik. “Dat is het ook. Maar als ik hier in jouw kooi zit, dan kan ik niet meedoen”, zei Lumi kwaad. Ik dacht na. “Kan ik met jou mee gaan naar die ceremonie?” vroeg ik. “Dan hoef ik niet alleen te zijn op Kerstavond, en kan jij met de ceremonie meedoen.” “Sorry Oma, dat gaat niet. Alleen Sneeuwfeetjes mogen de ceremonie bijwonen”, zei Lumi. Ik wist niet wat ik moest doen. Als ik Lumi niet vrij liet, kon het feetje zelf niet vieren bij familie. Liet ik het wel vrij, dan zou ik niet alleen op Kerstavond, maar ook op Kerstdag alleen zijn. Met opgetrokken knieën zette Lumi zich met de rug tegen de tralies van de kooi neer. Het feetje staarde voor zich uit. Ik zuchtte. Ik kon eigenlijk maar één ding doen, besloot ik. En toen deed ik het kooitje open. De kleine fee keek mij verbaasd aan. “Ga maar, vlieg maar naar huis.” Dankbare ogen straalden naar me. Het wezentje stapte uit de kooi en probeerde te vliegen, maar dat lukte niet. “Die hond heeft mijn vleugels beschadigd. Nu geraak ik nooit op tijd terug”, zei Lumi triest. “Kom Norbert, we gaan terug het bos in”, zei ik. Ik deed mijn warme kleren weer aan, pakte een andere jas en stak een hand uit naar Lumi. “We kunnen het nog halen, we moeten gewoon snel zijn.” Het feetje kroop voorzichtig op mijn hand en ik zette het wezentje op Norberts rug. Lumi wees ons de weg. “Dit pad is een stuk minder dicht begroeid”, dacht ik luidop. “Ik woon in dit bos, Oma. Ik ken het als mijn broekzak”, zei Lumi. Ik keek naar de Sneeuwfee. Die had helemaal geen broek, laat staan broekzakken. De zon ging onder. Het werd steeds donkerder en donkerder, tot we helemaal niets meer konden zien. Hoe kunnen we nu de weg vinden als we hem niet kunnen zien?” vroeg ik wanhopig. Als antwoord kneep Lumi de neus toe en blies. Het feetje lichtte fel op en een helder wit licht verspreidde zich over het bos. “Ziezo, nu kun je weer zien. Ik vergeet altijd dat mensen zo’n slechte ogen hebben”, zei Lumi lachend. Vastberaden liepen we verder. Net op tijd kwamen we aan bij de gevlochten muur. Ik kon zien dat de dans rond de ster al was begonnen. De open plek werd zo fel verlicht dat het zelfs door de muur van takken oogverblindend was. “Oef, nog net op tijd”, zei Lumi. “Bedankt, ik moet nu snel gaan!” Het wezentje gebaarde me om te bukken. Toen ik dat deed kreeg ik een kus op mijn voorhoofd. De kus voelde heel vreemd aan, alsof iemand met een ballon over mijn voorhoofd streek. De plek waar Lumi gekust had, bleef nog lang na tintelen. Lumi verdween door het gat dat Norbert eerder gegraven had. Daar stonden wij. Zonder licht en kilometers ver van mijn huis. Ik had me nog nooit zo eenzaam gevoeld. Norbert duwde met zijn natte neus tegen mijn hand. Ik was dan wel eenzaam, maar niet alleen. Ik streelde Norbert over zijn kop. Ik kon troost vinden in de gedachte dat ik de juiste keuze had gemaakt. Ik keek om me heen. Ik had geen idee hoe ik thuis zou geraken. Lumi blijkbaar wel. “Hier, dit kan je wel gebruiken”, klonk plots een klein stemmetje uit het gat. Lumi had een sneeuwklokje in de hand en blies in de kelk van de bloem. Algauw straalde de bloem net als Lumi zelf had gedaan. Het feetje duwde de bloem in mijn handen en verdween toen vliegensvlug weer door het gat. Op weg naar huis merkte ik dat de kelkblaadjes draaiden in de richting die we moesten lopen, en de bloem het pad verlichtte. Thuis aangekomen kroop ik vermoeid in mijn bed en viel ik in slaap. De volgende ochtend werd ik gewekt door de deurbel. Ik had geen idee wie dat kon zijn. Ik dacht: daar heb je de postbode. Maar toen ik de deur open deed viel mijn mond open van verbazing. Daar stonden tientallen feeën, en helemaal vooraan stond Lumi. “Dag Oma”, zei Lumi. “Dag Lumi”, zei ik. “Wij vinden dat een goede daad beloond moet worden. Je hebt nu misschien je wens niet kunnen doen, maar je kan nu wel met familie vieren. Mijn familie. Vrolijk Kerstfeest, Oma!” zei Lumi enthousiast. “Vrolijk Kerstfeest”, herhaalde de feeënfamilie in koor. Tranen van geluk stroomden over mijn gezicht. Nu waren Norbert en ik niet alleen voor Kerst. “Oh Lumi, wat moeten we eten? Ik heb niets in huis”, zei ik verontschuldigend. “Daar hebben wij voor gezorgd”, zei Lumi en de feetjes haalden allerlei lekkers boven. Het werd een uitgebreid feestmaal. Mijn gezicht straalde bijna even hard als de feetjes. Het feest duurde nog tot laat in de avond. “Bedankt Lumi, je bent een echte vriend”, zei ik. “Dat is heel graag gedaan, Oma. Kom zeker nog eens langs op een koude winterdag”, zei Lumi. “Dat zal ik doen”, zei ik. Oma zucht diep. Het verhaaltje is uit. ‘Wat een mooi verhaal, Oma. Ben je later nog naar Lumi geweest?’ vraag ik. ‘Natuurlijk, ik ben er al verschillende keren op bezoek geweest’, zegt Oma. In de verte horen we de klokken luiden. Het is middernacht. Samen tellen we af. Twaaaalf, eeelf, tie-ien, neeegen, aaacht, zeeeven, zeees, vij-ijf, vie-ier, drie-ie, tweee, eeen’ roepen we in koor. Oma haar voorhoofd licht plots op. Alle kerstlichtjes lijken feller te branden en iedereen staart haar met grote ogen aan. Oma glimlacht alleen maar. ‘Vrolijk Kerstfeest, allemaal!’ door: Siebert Eyben tekening: Liam Hernandez Lucas Wil je meelezen en -luisteren terwijl Liam dit leuke verhaal voorleest? Klik dan hier: Tekst en tekeningen door: Liam Hernandez Lucas
In een land hier heel ver vandaan… in Jeweetwelland, je weet wel, waar de spookjes leven en de spookjes sprookjes beleven, daar, achter de bergen en de dalen, is een rivier. Het wilde water stroomt met een gevaarlijk geklots tussen de oevers, en een dikke mist verbergt de overkant. Om de overkant te zien, is er maar één manier: met het vlot van de Veerman. Arlo het maskermannetje zag dat wel zitten. Zo kwam hij op een regenachtige avond aangewandeld bij de pier. “Hallo, goede vriend,” zei Arlo vanachter zijn maskertje tegen de Veerman. “Ik kom om over te steken.” Voor hem torende de gestalte van de Veerman hoog boven hem uit. De figuur stond zo stil op het wankele vlot dat hij heus leek te zweven. Hij bekeek Arlo van kop tot teen. Arlo was een klein kereltje, met grote puntige oren, en een rond wit maskertje met zwarte lijntjes onder de ogen. De mondhoeken van het maskertje krulden omhoog. “Naam?” zuchtte de Veerman. “Arlo,” zei het maskermannetje, “Arlo Spoedde.” De Veerman haalde een lijst boven, waarop hij Arlo’s naam zocht. “Je bent te vroeg,” zei de Veerman streng. Arlo kruiste zijn armen. “Te vroeg? Hoezo ben ik te vroeg? Ik heb toch helemaal geen afspraak? Ik was in de buurt en dacht gewoon om eens over te steken.” De Veerman schudde met zijn wijsvinger. “Iedereen heeft een afspraak, en iedereen steekt over,” verklaarde hij. “Maar niet zomaar wanneer je er zin in hebt. In feite hebben de meesten er helemaal geen zin in.” Arlo keek om zich heen, maar zag niemand anders. “Nou, als iedereen ooit eens oversteekt, dan zou ik hier toch meer volk verwachten.” De Veerman gebaarde met zijn benige vingers naar het vlot. “Kijk dan, ik heb al zeven passagiers.” Arlo begreep het niet. Op het vlot was immers niemand te zien. “Wel,” drong Arlo aan, “en als ik nu toch wil oversteken, mag ik dan op jouw vlot? Ik kan er heus voor betalen hoor.” Hij zwaaide met een buideltje geld. De Veerman staarde hem aan. Een intense blik, zonder emotie. Arlo voelde zich ongemakkelijk. Het kabbelende water klonk plots oorverdovend luid. “Waarom wil je naar de overkant?” vroeg de Veerman toen. “Ik breng volk naar de overkant, maar ik breng niemand terug naar deze kant.” Arlo wist niet goed wat hij nu moest antwoorden. Omdat ik daar vrienden heb? Omdat ik op reis wil? Omdat ik nieuwsgierig ben? Dat was allemaal niet waar. Onder de indringende blik van de Veerman, besloot Arlo dat geen van deze redenen goed genoeg was. Misschien dan toch beter eerlijk zijn. “Omdat ik het hier beu ben,” gaf Arlo toe. Hij tikte op zijn masker. “Ik ben een maskermannetje. Ik ben behekst door een boze tovenaar. Zo eentje met een lange baard, en lange wenkbrauwen, en een lange hoed.” De Veerman keek hem vreemd aan. “Behekst?” vroeg de hij. Arlo het maskermannetje knikte: “Ja, behekst. Als ik verdrietig moet zijn, dan huil ik niet. En als ik gelukkig moet zijn, dan lach ik niet. Heel verwarrend allemaal. Maar als ik mijn maskertje draag, dan kan ik altijd glimlachen. En dan vinden de mensen mij leuker.” Hij gebaarde naar de brede glimlach die op het maskertje getekend stond. “Oh, is dat zo?” zei de Veerman. “Ja,” zei Arlo, “maar dit maskertje is zwaar en warm. Het is helemaal niet prettig. Dus ik ben dat beu. Ik dacht dat als ik naar de overkant zou gaan, ik het daar niet zou hoeven dragen.” Hij wachtte op een antwoord van de Veerman, maar deze draaide zich om. Met zijn benige vingers greep de man het touw waarmee het vlot aan de pier bevestigd was, en haakte het los. “Er is geen plaats meer,” zei de Veerman. Hij gebaarde naar het vlot, waar Arlo nog steeds geen passagiers op zag staan. “Je zult moeten wachten,” zei de Veerman. “Nog enkele tientallen jaren, vrees ik.” Voor Arlo hem kon tegenhouden, duwde de Veerman met zijn roeispaan het vlot weg van de pier. “Hé, wacht eens even!” riep Arlo hem na. “Ik kan helemaal zo lang niet wachten! Ik wil van dit masker af!” Hij keek naar het donkere water dat woest en wild tussen de oevers stroomde. Als hij zou zwemmen, zou hij dan de overkant halen? Plots hoorde hij een stem, ergens verscholen in de mist. Het was de stem van de Veerman. “Het was een aangename kennismaking, Arlo Spoedde. Ik hoop dat het lang duurt voor ik je opnieuw zie, en dat je me dan niet verwelkomt.” De stem weergalmde door het dal. “Als ik me niet vergis, is je masker van hout!” Toen volgde een lange stilte, enkel verbroken door het stromende donkere water. Wat had de Veerman nou bedoeld? Bedoelde hij dat het masker zou drijven? Aarzelend nam Arlo het masker van zijn gezicht. Het was natuurlijk veel te klein om hem naar de overkant te dragen. Toch wilde hij het proberen. Hij legde het op het water, maar voor hij zijn voet erop kon zetten, gleed het weg en dreef het met de stroom mee. Met een plons zakte Arlo’s been in het water, diep de modder in. “Iep!” riep hij bang. De dikke mist leek nog dikker te worden, en even was Arlo niet meer zeker of hij weer uit de rivier zou geraken. Paniekerig worstelde hij tegen de trekkende modder. Het was alsof de rivier met hem aan het vechten was, en hem verwoed wilde meeslepen. “Iep!” riep hij opnieuw. “Verdraaide Veerman! Had me dan toch op je vlot gelaten!” Na een heuse strijd wist Arlo de pier vast te grijpen. Plots werd hem vanop de pier een hand toegereikt. Hij zocht gauw naar zijn maskertje. Helaas, het was al lang uit het zicht gevaren. Arlo twijfelde, maar greep toen toch de hand vast. Die hees hem prompt de pier op. “Hallo daar,” zei het heksje dat voor hem stond. “Je ziet er belabberd uit.” Arlo was helemaal nat, en zijn broek helemaal bedekt met modder. Hij zag er inderdaad belabberd uit. “Wacht, ik help je even,” zei het blauwharige heksje. “Water en modder, weg met de slodder!” Ze zwaaide met haar hand, en kleine sterretjes dansten rond Arlo. Plots was hij droog, en helemaal proper. “Zo,” zei het heksje, “en alsjeblieft.” Met een open hand reikte ze hem een snoepje aan. Aarzelend nam Arlo het snoepje aan. “Dank je wel?” Hij keek het heksje verward aan. “Die is voor jou,” benadrukte Millie. “Ik ben hier om snoepjes uit te delen aan iedereen die hier voor de oversteek is, maar ik heb er genoeg om jou ook eentje te geven.” Arlo stak het snoepje in zijn mond, en werd overweldigd door de plotse zoete smaak. “Mijn naam is Amalaswinth Zuckerkind, maar noem mij maar gerust Millie,” zei het heksje. “Arlo,” antwoordde Arlo. “Ik ben Arlo Spoedde.” “Wel, Arlo, kom zeker eens naar de Grijnzende Pompoen in het Grote Eikenbos! Ik maak het beste snoep!” Het heksje knipoogde, pakte haar karretje en draaide zich om. Ze leek te praten met iemand, maar Arlo zag helemaal niemand staan. Dan haalde ze een snoepje uit, stak haar hand naar voren, en Arlo zag hoe het snoepje toen verdween. Arlo kon zijn verwarring niet verbergen. “Wat was dat?” vroeg hij. Millie keek om. “Ah, ik deel snoep uit aan de spoken. Ik weet niet of er snoep is aan de overkant, dus wil ik ze de kans geven om nog een laatste keer allerlei smaken te proeven!” Ze schonk hem een brede grijns. Plots dacht Arlo terug aan zijn maskertje. “Ik ben een maskermannetje,” flapte hij uit, “Ik ben behekst door een boze tovenaar. Zo eentje met een lange baard, en lange wenkbrauwen, en een lange hoed. Als ik verdrietig moet zijn, dan huil ik niet. En als ik gelukkig moet zijn, dan lach ik niet. Heel verwarrend allemaal. Maar als ik mijn maskertje draag, dan kan ik altijd glimlachen. En dan vinden de mensen mij leuker.” Millie bekeek hem van kop tot teen. “Maar je hebt geen maskertje aan,” zei Millie. “Nee, ik heb geen maskertje aan,” beaamde Arlo. “En je bent inderdaad wat raar,” voegde Millie eraan toe. “Ja, dat is zeker waar,” zuchtte Arlo. “Dus waarom ben jij zo vriendelijk tegen mij?” Millie haalde haar schouders op. “Ik ken wel raarder volk. En je bent niet gemeen ofzo.” “Mijn vrienden vinden me niet leuk zonder maskertje,” mompelde hij. “Klinkt als een saaie boel,” zei Millie en ze duwde haar karretje voor zich uit. “Volgende week sta ik met een snoepkraam op de markt in Groebeldorp. Kom zeker eens langs om de nieuwe snoepsmaken te proberen!” Arlo keek haar na. Hij voelde aan zijn wangen. Zonder het zware maskertje, voelde alles lichter. Hij wandelde terug de heuvels in, weg van de mistige rivier. “Een nieuwe smaak snoep proberen,” dacht hij luidop, “dat klinkt inderdaad als een leuk idee.” Wil je meelezen en -luisteren terwijl Miriam dit leuke verhaal voorleest? Klik dan hier: Tekst en tekeningen door: Liam Hernandez Lucas
In een land hier heel ver vandaan… in Jeweetwelland, je weet wel, waar de spookjes leven en de spookjes sprookjes beleven… daar, diep in het bos, stond een grote grijnzende pompoen. Deze pompoen was het huisje van een bedreven heksje, een heksje dat geconcentreerd in haar ketel roerde. ‘Boe!’ riep Bertus het spook achter haar schouder. Maar het heksje had hem zien binnenkomen, dus ze schrok niet. ‘Dag spookje Bertus’, zei ze tegen het spook. ’Was het te saai in de waterput?’ Bertus vloog in een cirkel rond de ketel, en lachte duchtig. ‘Haha, Millie toch. Natuurlijk is het te saai in de waterput! Zeker als ik zo een heerlijke geur ruik! Wat ben je aan het klaarmaken? Is het snoep? Caramelletjes?’ ‘Het is snoep’, zei Heksje Millie vol enthousiasme. ‘Maar het is, helaas, niet voor jou.’ Bertus toonde een overdreven verdrietige blik. ‘Niet voor mij? Boehoehoe.’ Millie roerde lachend verder met de roerspaan in de ketel. Ze had beide handen nodig om deze grote houten lepel, die hoog boven haar hoofd uitstak, vast te houden. Met haar voet duwde ze lucht uit een blaasbalg, wat het vuur deed oplaaien. ‘Oh Bertusje toch, ik ben jou helemaal niet vergeten hoor! Ik maak altijd extra snoep. En alles wat er straks nog van over is, gaan wij samen opeten.’ Millie sprong van het verhoogje en kantelde de ketel. Zo goot ze het brouwsel in kleine vormpjes. ‘Maar voor wie is het snoep dan?’ vroeg Bertus zich af. ‘Er is een nieuw dorp aan de andere kant van het bos! Ik wil de mensen verwelkomen door er snoep uit te delen’, legde Millie uit. ‘Oh’, zei Bertus, ‘dan hoop ik dat ze niet veel honger hebben. Zo heb ik straks extra veel snoep.’ Millie prikte met haar vinger in de grote donzige buik van Bertus en knipoogde: ‘Dan hebben wij extra veel snoep, jij gulzig spookje.’ De volgende ochtend vertrok Millie met een karretje vol snoepgoed. Ze liep door het bos naar Nieuwedorp. Bertus zwaaide het heksje na. Toen ze bij de bosrand kwam, merkte ze een klein meisje op. Het meisje speelde tussen het hoge gras, op een afstand van de donkere dieptes tussen de bomen. In de verte onderaan de heuvel lag het nieuwe dorpje. Het meisje keek Millie met grote ogen aan. ‘Jij hebt een leuke hoed,’ zei het meisje. ‘Wie ben jij?’ ‘Amalaswinth Zuckerkind, maar noem mij maar gerust Millie’, zei Heksje Millie. Het meisje keek met een onderzoekende blik naar het karretje. ‘Is dat snoep? Ben jij een heks?’ vroeg ze. Millie knikte. ‘Ja, dat is snoep. En ik ben een heks.’ Het meisje schrok. ‘Dan wil jij mij lokken met snoep, om me dan op te eten!’ riep ze bang. Opeten? Millie vond dat maar een vreemd idee. Waarom zou ze het meisje opeten als ze zoveel snoep in haar karretje had? ‘Dit snoep is bedoeld voor het hele dorp!’ zei Heksje Millie. ‘Ik wil er niemand mee lokken. En ik wil al helemaal niemand opeten.’ Maar, helaas, het meisje was al weggelopen naar de huisjes in de verte. Heksje Millie draaide zich om en keek naar de bosrand, met zijn donkere, lonkende dieptes tussen de bomen in. Hmm… dacht ze, zomaar snoep aannemen van iemand die je niet kent, dat was misschien inderdaad geen goed idee. Zelf had ze ook wel eens te maken gehad met een mensetende oger, en Bertus was ooit een keer in de klauwen beland van een boze tovenaar. Die kunnen heel geniepig zijn. Ze snapte het. Een heksje dat met snoep bij de rand van een donker bos rondhing, was niet minder verdacht. Aan de bosrand kon ze dus best geen snoep uitdelen. Nou ja, dat was toch al niet echt het plan geweest. Millie pakte haar karretje vast en wandelde verder in de richting van het nieuwe dorp. Halverwege het pad werd ze plots begroet door een oude man. ‘Oh, een gast!’ zei de oude man. ‘Wat een vreemde hoed! Oho. Wat is uw naam, jonge dame?’ ‘Amalaswinth Zuckerkind, maar noem mij maar gerust Millie’, zei Heksje Millie. ‘Ohoho, en waar kom jij vandaan?’ vroeg hij nieuwsgierig. “Het Grote Eikenbos. Ik woon in de Grijnzende Pompoen!” Terwijl ze sprak, dwaalden de ogen van de oude man naar haar karretje. ‘Ohohoho. Is dat snoep? Ben jij een heks?’ vroeg hij. Millie knikte. ‘Ja, dat is snoep. En ik ben een heks.’ De oude man sprong zo hoog op dat hij boven haar hoed uitkwam. ‘Dan ben jij hier om iedereen in kikkers te veranderen!’ riep hij uit. ‘En dan ga je ons opeten!’ Millie was verontwaardigd. Mensen in kikkers veranderen? Opeten? Waarom zou ze de dorpelingen in kikkers willen veranderen?! Er waren toch al kikkers in de vijver? ’Dit snoep is om iedereen te verwelkomen!’ zei Heksje Millie. ‘Ik wil er niemand mee in kikkers veranderen. En ik wil al helemaal niemand opeten!’ Maar, helaas, de oude man was al weggelopen. Millie keek de man na. Hij had grijze haren en een wandelstok, maar hij rende zo snel dat zijn schaduw hem amper kon bijhouden! Dat vond ze best wel indrukwekkend. Met een zucht wandelde Millie hem achterna het pad op. Na enkele minuten kwam ze bij de stadspoort aan. Daar stond een wachter. ‘Halt’, zei de wachter streng. ‘Wat een vreemde hoed. Wie ben jij?’ ‘Amalaswinth Zuckerkind,’ zei het heksje, ‘maar noem mij maar gerust Millie.’ De wachter keek vol wantrouwen naar haar karretje. ‘Is dat snoep?’ vroeg hij toen. ‘Ben jij een heks?’ Millie knikte. ‘Ja, dat is snoep. En ik ben een heks.’ De wachter schrok op. ‘Dan ben jij hier vast om ons allemaal te vangen. En om ons dan in snoepjes te veranderen!’ riep hij uit. ‘En dan ga je ons opeten!’ Millie staarde hem verward aan. Wat was dit nu voor klinkklare onzin? Ze schudde haar hoofd. Hoe kwamen ze erbij? ‘Waarom denkt iedereen dat toch? Ik ga heus niemand opeten!’ riep ze boos. ‘Heks!’ schreeuwde de wachter, en hij vluchtte wild met zijn armen zwaaiend het dorp in. ‘Een boze heks!’ ‘Oh jeetje!’ schreeuwden de dorpelingen in paniek. ‘Help! Ze gaat ons opeten!’ Heksje Millie zag ook het kleine meisje en de oude man roepend heen en weer lopen. Plots grepen de dorpelingen haar bij de handen, en bonden deze samen met een touw. ‘Hé, wat doen jullie!’ riep Millie bang. ‘Ik kan geen snoep uitdelen als jullie mijn handen vastbinden!’ Het kleine meisje juichte. ‘Nu kun je mij niet het bos in lokken!’ De oude man wees met zijn wandelstok naar Millie. ‘En als je geen snoep kan uitdelen, dan kun je ons ook niet in kikkers veranderen!’ De wachter knikte. ‘En dan kun je ons ook niet in snoep veranderen.’ ‘En opeten!’ riepen ze alledrie. De dorpelingen verzamelden een grote stapel planken, en deelden vlammende toortsen uit. ‘Waarom doen jullie dit?’ vroeg Heksje Millie. ‘Wel, heksen zijn stout’, legde het meisje uit. ‘Dus die leggen we op het vuur. Zoals een braadkip!’ ‘Een braadkip?!’ Millie beeldde het zich in. Een gebraden heksje met extra saus. Dat zag ze helemaal niet zitten. ‘Hé, daar ga ik niet mee akkoord!’ riep Millie. ‘Ik kom hier alleen maar om jullie te verwelkomen met snoep, en nu proberen jullie mij op te eten? Wat is dat voor slechte grap!’ ‘Oh, maar we gaan je helemaal niet opeten’, zei de oude man. ‘Enkel braden.’ ‘Dat is niet beter!’ beet het heksje hem toe. ‘Dat is niet alleen gemeen, het is ook nog eens verspilling!’ ‘Touwtje touwtje laat me vrij, laat me los en maak me blij!’ sprak Millie. Het touw liet onmiddellijk haar handen los. Bang dat heksje Millie hen zou beheksen, doken de dorpeling vliegensvlug weg achter muurtjes en onder karren. ‘Nu ben ik boos!’ verklaarde Millie. ‘En jullie krijgen geen snoep van mij.’ Ze nam haar karretje bij de handvaten, en verdween in een wolk van sterretjes. Na een lange stilte, kwamen de dorpelingen voorzichtig weer tevoorschijn. De vreselijke toverspreuk die ze verwacht hadden, de beheksing, de vloek… die was er helemaal niet gekomen. ‘Oh,’ zei de oude man, ‘misschien wilde ze ons dan toch niet opeten…’ De volgende dag smulden heksje Millie en Bertus het spookje de hele kar snoep leeg. ‘Vind je het niet jammer dan,’ vroeg Bertus met een ronde buik, ‘dat je het niet hebt kunnen uitdelen, dat snoep? Na al dat werk?’ Millie haalde haar schouders op. ‘Als ik het snoep met jou kan delen, Bertus, ben ik even blij. En wie weet, als de mensen van Nieuwedorp me een brief sturen om zich te verontschuldigen, dan deel ik volgend jaar misschien alsnog snoep uit in het dorp.’ Haar spookachtige vriend knikte. ‘Dat zou leuk zijn.’ Spookje Bertus richtte zijn blik op de oven. ‘En als je toch ooit een braadkip wordt, mag ik je dan opeten?’ Heksje Millie schudde haar hoofd. ‘Ik word helemaal geen braadkip, Bertus.’ ‘Nou,’ zei Bertus starend naar het vuur, ‘je weet maar nooit.’ |
Spook-
|