MPE.BOOKS
  • Shop
  • Verhalenhoek
  • Agenda
  • Contact
  • Bestellen

arlo en de veerman

31/10/2022

0 Opmerkingen

 
Picture
Wil je meelezen en -luisteren terwijl Liam dit leuke verhaal voorleest?
​Klik dan hier: 
​
Tekst en tekeningen door: Liam Hernandez Lucas

In een land hier heel ver vandaan… in Jeweetwelland, je weet wel, waar de spookjes leven en de spookjes sprookjes beleven, daar, achter de bergen en de dalen, is een rivier. Het wilde water stroomt met een gevaarlijk geklots tussen de oevers, en een dikke mist verbergt de overkant. Om de overkant te zien, is er maar één manier: met het vlot van de Veerman. Arlo het maskermannetje zag dat wel zitten. Zo kwam hij op een regenachtige avond aangewandeld bij de pier.
 
“Hallo, goede vriend,” zei Arlo vanachter zijn maskertje tegen de Veerman. “Ik kom om over te steken.”
 
Voor hem torende de gestalte van de Veerman hoog boven hem uit. De figuur stond zo stil op het wankele vlot dat hij heus leek te zweven. Hij bekeek Arlo van kop tot teen. Arlo was een klein kereltje, met grote puntige oren, en een rond wit maskertje met zwarte lijntjes onder de ogen. De mondhoeken van het maskertje krulden omhoog.
 
“Naam?” zuchtte de Veerman.
 
“Arlo,” zei het maskermannetje, “Arlo Spoedde.”
 
De Veerman haalde een lijst boven, waarop hij Arlo’s naam zocht. “Je bent te vroeg,” zei de Veerman streng.
 
Arlo kruiste zijn armen. “Te vroeg? Hoezo ben ik te vroeg? Ik heb toch helemaal geen afspraak? Ik was in de buurt en dacht gewoon om eens over te steken.”
 
De Veerman schudde met zijn wijsvinger. “Iedereen heeft een afspraak, en iedereen steekt over,” verklaarde hij. “Maar niet zomaar wanneer je er zin in hebt. In feite hebben de meesten er helemaal geen zin in.”
 
Arlo keek om zich heen, maar zag niemand anders. “Nou, als iedereen ooit eens oversteekt, dan zou ik hier toch meer volk verwachten.”
 
De Veerman gebaarde met zijn benige vingers naar het vlot. “Kijk dan, ik heb al zeven passagiers.”
 
Arlo begreep het niet. Op het vlot was immers niemand te zien.
 
“Wel,” drong Arlo aan, “en als ik nu toch wil oversteken, mag ik dan op jouw vlot? Ik kan er heus voor betalen hoor.” Hij zwaaide met een buideltje geld. De Veerman staarde hem aan. Een intense blik, zonder emotie. Arlo voelde zich ongemakkelijk. Het kabbelende water klonk plots oorverdovend luid.
 
“Waarom wil je naar de overkant?” vroeg de Veerman toen. “Ik breng volk naar de overkant, maar ik breng niemand terug naar deze kant.”
 
Arlo wist niet goed wat hij nu moest antwoorden.
Omdat ik daar vrienden heb? Omdat ik op reis wil? Omdat ik nieuwsgierig ben?
Dat was allemaal niet waar. Onder de indringende blik van de Veerman, besloot Arlo dat geen van deze redenen goed genoeg was.
Misschien dan toch beter eerlijk zijn.
 
“Omdat ik het hier beu ben,” gaf Arlo toe. Hij tikte op zijn masker. “Ik ben een maskermannetje. Ik ben behekst door een boze tovenaar. Zo eentje met een lange baard, en lange wenkbrauwen, en een lange hoed.”
 
De Veerman keek hem vreemd aan. “Behekst?” vroeg de hij.
 
Arlo het maskermannetje knikte: “Ja, behekst. Als ik verdrietig moet zijn, dan huil ik niet. En als ik gelukkig moet zijn, dan lach ik niet. Heel verwarrend allemaal. Maar als ik mijn maskertje draag, dan kan ik altijd glimlachen. En dan vinden de mensen mij leuker.” Hij gebaarde naar de brede glimlach die op het maskertje getekend stond.
 
“Oh, is dat zo?” zei de Veerman.
 
“Ja,” zei Arlo, “maar dit maskertje is zwaar en warm. Het is helemaal niet prettig. Dus ik ben dat beu. Ik dacht dat als ik naar de overkant zou gaan, ik het daar niet zou hoeven dragen.”
 
Hij wachtte op een antwoord van de Veerman, maar deze draaide zich om. Met zijn benige vingers greep de man het touw waarmee het vlot aan de pier bevestigd was, en haakte het los. “Er is geen plaats meer,” zei de Veerman. Hij gebaarde naar het vlot, waar Arlo nog steeds geen passagiers op zag staan. “Je zult moeten wachten,” zei de Veerman. “Nog enkele tientallen jaren, vrees ik.” Voor Arlo hem kon tegenhouden, duwde de Veerman met zijn roeispaan het vlot weg van de pier.
 
“Hé, wacht eens even!” riep Arlo hem na. “Ik kan helemaal zo lang niet wachten! Ik wil van dit masker af!”
 
Hij keek naar het donkere water dat woest en wild tussen de oevers stroomde. Als hij zou zwemmen, zou hij dan de overkant halen? Plots hoorde hij een stem, ergens verscholen in de mist. Het was de stem van de Veerman.
 
“Het was een aangename kennismaking, Arlo Spoedde. Ik hoop dat het lang duurt voor ik je opnieuw zie, en dat je me dan niet verwelkomt.” De stem weergalmde door het dal. “Als ik me niet vergis, is je masker van hout!”
 
Toen volgde een lange stilte, enkel verbroken door het stromende donkere water. Wat had de Veerman nou bedoeld? Bedoelde hij dat het masker zou drijven? Aarzelend nam Arlo het masker van zijn gezicht. Het was natuurlijk veel te klein om hem naar de overkant te dragen. Toch wilde hij het proberen. Hij legde het op het water, maar voor hij zijn voet erop kon zetten, gleed het weg en dreef het met de stroom mee. Met een plons zakte Arlo’s been in het water, diep de modder in.
 
“Iep!” riep hij bang.
 
De dikke mist leek nog dikker te worden, en even was Arlo niet meer zeker of hij weer uit de rivier zou geraken. Paniekerig worstelde hij tegen de trekkende modder. Het was alsof de rivier met hem aan het vechten was, en hem verwoed wilde meeslepen.
 
“Iep!” riep hij opnieuw. “Verdraaide Veerman! Had me dan toch op je vlot gelaten!”
 
Na een heuse strijd wist Arlo de pier vast te grijpen. Plots werd hem vanop de pier een hand toegereikt. Hij zocht gauw naar zijn maskertje. Helaas, het was al lang uit het zicht gevaren. Arlo twijfelde, maar greep toen toch de hand vast. Die hees hem prompt de pier op.
 
“Hallo daar,” zei het heksje dat voor hem stond. “Je ziet er belabberd uit.”
 
Arlo was helemaal nat, en zijn broek helemaal bedekt met modder. Hij zag er inderdaad belabberd uit.
 
“Wacht, ik help je even,” zei het blauwharige heksje. “Water en modder, weg met de slodder!” Ze zwaaide met haar hand, en kleine sterretjes dansten rond Arlo. Plots was hij droog, en helemaal proper. “Zo,” zei het heksje, “en alsjeblieft.” Met een open hand reikte ze hem een snoepje aan.
 
Aarzelend nam Arlo het snoepje aan. “Dank je wel?” Hij keek het heksje verward aan.
 
“Die is voor jou,” benadrukte Millie. “Ik ben hier om snoepjes uit te delen aan iedereen die hier voor de oversteek is, maar ik heb er genoeg om jou ook eentje te geven.”
 
Arlo stak het snoepje in zijn mond, en werd overweldigd door de plotse zoete smaak.
 
“Mijn naam is Amalaswinth Zuckerkind, maar noem mij maar gerust Millie,” zei het heksje.
 
“Arlo,” antwoordde Arlo. “Ik ben Arlo Spoedde.”
 
“Wel, Arlo, kom zeker eens naar de Grijnzende Pompoen in het Grote Eikenbos! Ik maak het beste snoep!” Het heksje knipoogde, pakte haar karretje en draaide zich om.
 
Ze leek te praten met iemand, maar Arlo zag helemaal niemand staan. Dan haalde ze een snoepje uit, stak haar hand naar voren, en Arlo zag hoe het snoepje toen verdween.
 
Arlo kon zijn verwarring niet verbergen. “Wat was dat?” vroeg hij. Millie keek om.
 
“Ah, ik deel snoep uit aan de spoken. Ik weet niet of er snoep is aan de overkant, dus wil ik ze de kans geven om nog een laatste keer allerlei smaken te proeven!” Ze schonk hem een brede grijns.
 
Plots dacht Arlo terug aan zijn maskertje. “Ik ben een maskermannetje,” flapte hij uit, “Ik ben behekst door een boze tovenaar. Zo eentje met een lange baard, en lange wenkbrauwen, en een lange hoed. Als ik verdrietig moet zijn, dan huil ik niet. En als ik gelukkig moet zijn, dan lach ik niet. Heel verwarrend allemaal. Maar als ik mijn maskertje draag, dan kan ik altijd glimlachen. En dan vinden de mensen mij leuker.”
 
Millie bekeek hem van kop tot teen. “Maar je hebt geen maskertje aan,” zei Millie.
 
“Nee, ik heb geen maskertje aan,” beaamde Arlo.
 
“En je bent inderdaad wat raar,” voegde Millie eraan toe.
 
“Ja, dat is zeker waar,” zuchtte Arlo. “Dus waarom ben jij zo vriendelijk tegen mij?”
 
Millie haalde haar schouders op. “Ik ken wel raarder volk. En je bent niet gemeen ofzo.”
 
“Mijn vrienden vinden me niet leuk zonder maskertje,” mompelde hij.
 
“Klinkt als een saaie boel,” zei Millie en ze duwde haar karretje voor zich uit.
 
“Volgende week sta ik met een snoepkraam op de markt in Groebeldorp. Kom zeker eens langs om de nieuwe snoepsmaken te proberen!”
 
Arlo keek haar na. Hij voelde aan zijn wangen. Zonder het zware maskertje, voelde alles lichter. Hij wandelde terug de heuvels in, weg van de mistige rivier.
 
“Een nieuwe smaak snoep proberen,” dacht hij luidop, “dat klinkt inderdaad als een leuk idee.”
PDF Downloaden
0 Opmerkingen

    Spook-
    ​sprookjes

    Heksje Millie en de brandstapel
    Arlo en de Veerman

    winter-
    ​sprookjes

    Een wens voor Kerst

    Voorlees-
    ​video's

    Bekijk al onze voorleesvideo's op YouTube en YouTube Kids

    Categories

    Alles
    Liam Hernandez Lucas
    Miriam Perrone
    Siebert Eyben
    Spooksprookjes

Powered by Maak je eigen unieke website met aanpasbare sjablonen.
  • Shop
  • Verhalenhoek
  • Agenda
  • Contact
  • Bestellen